Naam Weijpoortsche molen
Gemeente Bodegraven
Databse Nr. 1067
Adres Weijpoort 25, 2415 BW Nieuwerbrug
Bouwjaar 1674
Type Wipmolen
Functie Poldermolen
Kenmerken Stalen vijzel
Vlucht 27,30 / 27,45 m
Eigenaar Rijnlandse molenstichting sinds 1976
Huidig gebruik Bemalen van de Weijpoortsche polder op vrijwillige basis
Bezoekmogelijkheden Als de molen draait of op afspraak met de molenaar
Molenaar L. v.d. Vlist
Telefoon 0172-614061
Overige informatie en technische specificaties

Constructie
Voet: veldmuren van 0,90 m hoog
Ondertoren: gedekt met riet
Bovenhuis: groen geschilderd, voorzijde van verticale delen, gedekt met dakleer
Wiekenkruis: ijzeren roeden, fabrikaat Gebr. Pot Kinderdijk, binnenroede nr. 1240 van 1881, buitenroede nr. 507 van ca. 185...(?)
Vlucht: 27,00 m
Wiekvorm: Systeem Faüel
Bovenas: gietijzer, fabrikaat wellicht onder de vulstukken; lang 5,90 m.
Kruiwerk: glijwerk met neuten; kruirad
Vang: losse Vlaamse blokvang uit 5 stukken; wipstok
Inrichting: stalen vijzel in de molen ø 1,62 m; woning in de molen niet meer aanwezig

Overbrengingen:
aantal kammen bovenwiel 60
aantal staven bovenschijfloop 30
aantal kammen spilwiel 27
aantal kammen vijzelwiel 31
overbrengingsverhouding 1:1,74

Versieringen: eenvoudige makelaar met vaantje, verschillende jaartallen in de kap gesneden

Historische bijzonderheden: de molen was tot 1938 uitgerust met een scheprad buiten de molen en tevens bewoond; in dit jaar werd de molen vervijzeld en werd wieksysteem Dekker aangebracht, dat in 1957 is vervangen door systeem Faüel.

Geschiedenis Weypoortsemolen
In de maanden augustus en september 1564 meette Mr. Jacob Sluyter, gezworen landmeter van Rijnland, de landerijen in de Zuidzijder en Weijpoortsche polders. Onenigheid tussen Woerden en Rijnland over de jurisdictie in het gebied leidde tot vertraging. Tenslotte werden op 7 maart en 12 juni 1564 akkoorden gesloten tussen schout, heemraden en ingelanden van de polder en dijkgraaf en hoogheemraden van achtereenvolgens Woerden en Rijnland. Vanaf dat jaar mochten de polders Zuidzijde en Weijpoort elk met een molen in de Oude Rijn gaan uitmalen. De zinsnede elk met een molen bewijst in samenhang met de inhoud van het inspectieverslag, dat in 1564 of het daarop volgende jaar de Weijpoort een eigen molen heeft gekregen.
Voor een eerste afbeelding van de nieuwe situatie komen twee kaarten uit Rijnlands collectie in aanmerking. Een ongedateerde uit de jaren 1600 met begin van de situatie van de polder Langeweide met omgeving en de overzichtskaart van Rijnland van 1615door Floris Balthasars. Op beide kaarten staan nog twee andere molens binnen de poldergrenzen afgebeeld. Zuidelijk van het dorp Nieuwerbrug stond een korenmolen aan de Dubbele Wiericke en op circa 175 meter ten zuidwesten van de Weijpoortsche molen stond die van de polder Langeweide. De ongedateerde kaart kan niet voor 1612 zijn gemaakt. In dat jaar op 8 augustus verkreeg de Langeweidse polder door arbitrage van Gecommitteerde Raden van Holland en West-Friesland het recht om de Oude Rijn te gaan lozen. Voor dit doel werd een watergang door de Weijpoortsche polder gegraven, waaraan de eerder genoemde molen werd gesteld.
Vanaf het belangrijke jaar 1564 leverden de archieven gegevens op, die op het Weijpoortsche poldergebeuren zelf betrekking hebben. Een in 1759 gesloten akkoord tussen het bestuur en Cornelis Cromwijk, ten gevolge van het doorsteken van de kade langs de molenvliet, bevestigt dat de molen er in 1565 stond. In het akkoord wordt verwezen naar een contract van 13 juli 1665 tussen schout en heemraden en de gasthuismeesteren van het Sint Catharijnegasthuis te Leiden als vorige eigenaars van de landerijen aan weerskanten van de Molenvliet omtrent het ‘roeren’ van de kaden. Het bezit van het Sint Catharijnegasthuis staat opgetekend in het morgenboek van 1596.
De grootte bedroeg 22 morgen en 329 roeden land, strekkende vanaf de Hoge Rijndijk aan weerszijden van de molenwetering tot aan de Endelkade toe.
Omgerekend is dat ruim 19 hectare . Opmerkelijk is voorts dat de totale oppervlakte van de polder, toendertijd vastgesteld op meer dan 240 hectare, was verdeeld over slechts 23 eigenaren, respectievelijk 25 gebruikers. Kerkelijke instanties namen bijna een vijfde deel voor hun rekening.
De eerste bekende keur voor de polder dateert van 29 april 1582. Hierin werd bepaald dat voortaan twee maal zou worden geschouwd over de kaden, watergangen en de lage dijk in het oosten van de polder. De eerste schouw op Sint Jansavond in de zomer (23 juni) en de tweede op Sint Mattheusdag (21 september). Blijkbaar was het ook nodig vast te stellen de kaden dicht en hoog te houden, zodat in tijden van nood weinig risico werd gelopen. De tijden van nood volgden elkaar veelvuldig op en het doorsteken van kaden was een wijd verbreide gewoonte. Op het overlopen van kaden stond een boete van 10 stuivers, een lek kostte 5 stuivers. verder staat in de keur het verplichte onderhoud van de weg langs de Hoge Rijndijk omschreven: "Ende sullendie ingelanden voorts maecken jaren Lagen Rijndijck van die eene Wyerick tot de andere op voorss. Sinte Hansavondt, datter geen quade dellen ofte laeghten in bevonden worden ende wel ter volder aerde opgemaekt te weesen". De bomen langs de weg moesten zo hoog opgesnoeid zijn "datter geen hoyrijden bij beschadight en sall mogen weesen". In de tekst wordt abusievelijk over Lage Rijndijk gesproken.
Een belangrijk element in de opvolgende keuren, zowel die van Groot-Waterschap van Woerden, als die van de polder, vormde het voorkomen van belemmerende invloeden op de bemaling. Woerden vaardigde er in 1595 een uit op ‘t planten van geboomte dicht bij watermolens. Aanleiding was het steeds vaker binnenkomen van ernstige klachten dienaangaande, zodat de molens niet meer behoorlijk konden malen. Bomen van wat voor soort ook mochten niet meer binnen 50 roeden (ca. 190 meter) rondom de molens geplant worden. De binnen die afstand staande bomen moesten binnen veertien dagen na publikatie gekapt zijn. Het windrecht in latere keuren hield een verbod in tot het bouwen of planten binnen een straal van 300 meter van werken of geboomte, die de 2,5 meter gerekend vanaf de onderkant van de wieken in hun laagste stand te boven gingen.
Buiten windvang was er ook dikwijls sprake van stroombelemmering. Keuren van dijkgraaf en hoogheemraden van Woerden op het leggen van houtvlotten in de boezem, het openen van schotdeuren, het zetten van fuiken of ander vistuig tijdens het malen moesten dat euvel bestrijden. Maar ook kwam het voor, dat de molenaars hun boekje te buiten gingen door onbehoorlijk malen. Soms zo excessief dat bij voorbeeld in 1774 enige polderkaden doorbraken en vele andere overliepen. Eerder in 1698 werden de molenaars al eens gelast hun molens uit ‘t zeil te slaan en niet meer te gaan malen, voordat zij de wimpel van de Woerdense toren zagen waaien. Op overtreding stond een boete van 100 carolus guldens. Desondanks werd het verbod door menigeen overtreden. De seingeving werd in 1780 uitgebreid, toen er wederom onbehoorlijk was gemalen. De polderbesturen in het Groot-Waterschap moesten berichten of hun molens in het bezicht van de toren van Woerden stonden en tevens aanbevelingen doen voor het aanwijzen van seinmolens. De Weijpoortsche molen bleek buiten het gezicht te vallen en kreeg de Weijlandse molen aan de overzijde van de Oude Rijn als seinmolen aangewezen.
De zeventiger jaren van de zeventiende eeuw staan bekend als een periode vol misère. De binnengevallen Fransen hielden in de wijde omstreken met de gebruikelijke krijgsgruwelen huis. Dit gevoegd bij de diverse zware stormen en overstromingen maken het beeld compleet. Ook de molens zijn verloren gegaan. Vanaf 1674 werden bij het Groot-Waterschap van Wierden vele rekesten tot het lichten van penningen ingediend voor het stellen van nieuwe watermolens in verscheidene polders.
De Weijpoortsche molen viel net buiten dit spoor van vernielingen, dat vanaf de Weijlandse polder aan de noordzijde van de Oude Rijn oostwaarts liep en bij de polder Breudijk uitwaaierend naar noord en zuid eindigde.
Met name de zuidelijke regionen van het Groot-Waterschap hadden van tijd tot tijd met overstromingen te kampen. Aantekeningen daaromtrent uit de notulen van vergaderingen van dijkgraaf en hoogheemraden van Woerden hebben betrekking op een viertal doorbraken van de Lekdijk in 1726, 1747, 1751 en 1760. De doorbraak van 1726 veroorzaakte een buitengewone watersnood, die tot in de Weijpoortsche polder reikte. Zowel de Weijpoortsche als de Langeweidse polder hadden aan het Groot-Waterschap toestemming gevraagd om bepaalde maatregelen te mogen treffen. Om deze beter op elkaar af te stemmen werden beide partijen op het gemeenlandshuis in Woerden ontboden, alwaar een overeenkomst werd gesloten. Op kosten van de Weijpoort zou de achterkade worden verhoogd, omdat de Langeweide niet in staat was het Lekwater uit de Weijpoort te keren. Op hun beurt beloofden die van de Langeweide geen schuiten over de kade te trekken of deze anderszins te beschadigen. Verder werd afgesproken , dat de molenaar van de Weijpoort mee zou helpen de Langeweidse polder droog te malen, zodra de hoger gelegen en kleinere Weijpoortsche polder droog zou vallen.
In 1812 werd hulp geboden in omgekeerde richting. De Weijpoortsche molen verkeerde in een dermate slechte conditie, dat bemaling van de polder niet meer mogelijk was. Contractueel vastgelegd werd besloten de Weijpoort door de polder Langeweide te laten bemalen. Na twee proefjaren zou worden gekeken of dit naar beider tevredenheid verliep. Tot ongenoegen van een ingeland van de Weijpoortsche polder, Herman van Elten, nam men een loopje met de in het contract genoemde termijn. Van Elten stond bovendien sterk afwijzend tegenover voortzetting wegens de ongelijke ligging van beide polders, waarbij gesteld moet worden dat zijn opstelling niet geheel van eigen belang was ontbloot. Zijn bezwaren werden niet ontvankelijk verklaard en uiteindelijk wendde hij zich in 1817 tot dijkgraaf en hoogheemraden van Woerden met het verzoek in te grijpen. Schouten en poldermeesters werden daarop door Woerden gelast gezamenlijk een rapport op te stellen. Omdat die van Langeweide verstek liet gaan, besloten schout, poldermeesteren en ingelanden van de Weijpoort tot separatie over te gaan en de molen weer in maalvaardige staat te brengen.
Nog in hetzelfde jaar vond de publieke aanbestedingplaats aan de laagste inschrijver, die niet alleen tekende voor het herstel van de molen, maar ook voor een periode van twaalf jaar onderhoud. In het bestek waren stringente voorwaarden gesteld. De aannemer droeg alle risico’s, hij moest zelf een molenaar aanstellen, voor eigen rekening de molen verzekeren en ook de materiaaleisen waren nauw omschreven. Buiten het onderhoud van de molen belastte hij zich mede met dat van de molenbruggen, zomerhuisje, alle beschoeiingen, waterstoep en secreet, straten, kruipalen en voor- en achterwaterloop. Na twaalf jaren werd hij geacht een goede maalvaardige molen op te leveren.
De oudste bekende molenaar van de polder was Gravesteijn. Zijn naam is overgeleverd omdat opvolging van deze in 1734 overleden man, met grote onenigheid gepaard ging. Er waren twee gegadigden, te weten Wout Verboom en Jan Dobbe. Gijsbert Raamburger, een heemraad, kon uit de papieren aantonen, dat bijna alle ingelanden voor Jan Dobbe waren, waarop de schout Weynant Boute reageerde:" Al had je alle eygenaars in je sak, soo stem ik Wout verboom en die sal molenaar zijn". Het is duidelijk dat zich daarvoor al het nodige had afgespeeld. De schout kreeg zijn zin, want Dobbe bleek zich onder valse voorwendselen te hebben aangemeld. Hij was na een half jaar zonder waarschuwing van een molen vertrokken. Voorts werd hij gebrandmerkt als ’Seyssen-slijper’, ‘harkemaker’ en ‘draijer van zijn ambacht’, die bovendien ‘alle huisluiden somstijds dronken en zelden zonder tabak te roken naar binnen liet’. Dit was bepaald geen aanbeveling, mede gezien zijn brandgevaarlijke activiteiten, die men liever zo ver mogelijk van een molen verwijderd wenste te houden.
met ingang van 1 januari 1818 werd hannes van Vliet, afkomstig van de Bijleveldse molen tot molenaar aangesteld. reeds een maand eerder had hij z’n intrek op de pas herstelde molen genomen. Hij kreeg een duidelijk omschreven instructie, die meer dan alleen richtlijnen voor malen omvatte. Zo moest hij onder andere de molen en zomerhuis goed en zindelijk bewonen, gebroken ruiten op eigen kosten herstellen, straten en molenerf onkruidvrij houden en de bak onder de pomp leeg houden. Tevens was hij verplicht bij de waterschouw een plank te dragen en die over de sloten te leggen voor schout, poldermeesteren en bode. Als beloning ontving Hannes jaarlijks 75 gulden, bepaald geen vetpot te noemen. Uit pure noodzaak voerden molenaars dan ook velerlei nevenactiviteiten uit. De wedde was in 1920 en 1954 respectievelijk opgelopen tot 250 en 795 gulden. De laatste officiële molenaar was Jan Verheul, die van 1961 tot medio 1975 de polder bemaalde. Daarna werd voor de tweede keer en nu definitief een gecombineerde bemaling met de polder Langeweide gerealiseerd. Het water van beide polders wordt door een dieselgemaal op de Dubbele Wiericke uitgeslagen. Af en toe moet bij extreme regenval de nog steeds maalvaardige molen ingezet worden, die dan bij voldoende wind veel nut bewijst door zijn grote waterverplaatsing.
Het wonen in een molen moet uitgesproken ongerieflijk zijn geweest. Tocht en vocht belaagden de gezondheid van de molenaar en zijn gezin. De toegemeten woonruimte was daarenboven erg krap. In 1909 werd de molen als woning onbewoonbaar verklaard door de gezondheidscommissie van de gemeente Bodegraven. Deze constateerde een ondraaglijke tocht en het ontbreken van geschikte slaapplaatsen. Het zomerhuisje was te laag (1.80 meter) en had geen slaapplaatsen. Op 18 april 1910 besloten stemgerechtigde ingelanden een nieuwe woning te laten bouwen en het werk werd gegund aan J. de Hoog uit Driebruggen voor de somma van ƒ 1.300,-. Tot 1961 bleef de nog kleine woning verstoken van elektriciteit en water. Daarna werd de woning vergroot en de moderne tijd deed zijn intrede met aansluiting op de waterleiding, elektriciteits- en telefoonnet.
Wat er met de molen vanaf het prille begin is gebeurd tot aan het verval in 1812 laat zich alleen maar raden. Door het vergankelijke materiaal, waaruit molens voor het overgrote deel bestaan zijn zij voortdurend aan een vernieuwingsproces onderhevig. Wel hadden de werklieden, die aan de molen onderhoud verrichtten de gewoonte naam en jaartal of alleen het jaartal in het bovenhuis te schilderen. Het oudste jaartal dateert van 9 oktober 1798 en werd op een van de dakspanten aangebracht. Al het verdere houtwerk is, enkele balken uitgezonderd, van veel jongere datum. Uitgebreide gegevens over de hoedanigheid van de molen komen naar voren in het al eerder genoemde bestek van 1869, vanaf welk jaar de polderrekeningen bewaard zijn gebleven. Uit rekeningen blijkt, dat er regelmatig geld werd besteed aan timmer-, verf- en smidswerk, zeil- en touwonderhoud en de aanschaf van consistentvet en reuzel. Het rietdekkerswerk kwam minder frequent voor. Grote reparaties en veranderingen werden als buitengewone uitgaven verantwoord. Enige voorbeelden daarvan vormen de aanschaf van twee ijzeren roeden in 1881, waarvan de binnenroede twaalf jaar later al weer vervangen moest worden. De buitenroede hield het langer uit en wel tot 1949. Toen brak deze en werd tegen hoge kosten weer gerepareerd. De molen onderging in 1938 een ingrijpende modernisering. Het nog maar weinig verplaatsende scheprad werd vervangen door een dieper grijpende vijzel en de wieken werden verbeterd volgens het systeem ‘Dekker’. Hiermee hoopte men de bemaling weer beter te kunnen verzorgen.
Evenals de molen veranderde het beeld van de polder in de loop der eeuwen. Dat spitst zich vooral toe op de laatste honderd jaar. De op 14 oktober 1878 in gebruik genomen spoorlijn van Leiden naar Woerden doorsnijdt de polder ongeveer in het midden. Ruim een halve eeuw later werd de al eerder gememoreerde rijksweg no. 12 aangelegd, die even zuidelijk van de poldergrens loopt. Deze had mede door de zandwinning in het noordelijk deel van de polder een nog grotere invloed op het landschap. Een spoorlijn en een snelweg vormen niet bepaald landschapsverfraaiende elementen. In een rondom de ‘Put’ met zijn uitzonderlijke schone water treft men tegenwoordig evenwel een rijke flora en fauna aan. De Put van Broeckhoven met dat eeuwenoude noeste polderwerktuig aan z’n zuidoostflank maken dit gedeelte van de polder elk naar eigen waarde tot een aangename verblijfplaats.

R. A. van Iterson
Uit: Jaarboekje Rijnlandse Molenstichting 1983