Loek Dijkman: voorzitter van 1991 - 2012

Loek Dijkman. Foto: Stichting Utopa

 

Loek Dijkman was de vierde voorzitter van de Rijnlandse Molenstichting, al dacht hij zelf dat hij de derde was. Hij werd voorzitter in maart 1991 en bleef dat tot begin 2012.

Loek Dijkman werd in 1942 geboren in Driehuis-Westerveld en volgde drie jaar lagere school in Driehuis, maar moest daarna onderwijs volgen in het internaat St. Louis in Amersfoort.

Dijkman kwam in 1963 in dienst van het bedrijf van zijn vader; de groothandel Touw- en papierhandel Amsterdam (TOPA), dat hij later overnam. Hij noemde dat “een kans die vele anderen nooit krijgen”. Al moest hij zichzelf veel aanleren in die rol. Even had hij geroken aan het bankwezen. Na zijn eindexamen werkte hij op het hoofdkantoor van de Twentsche Bank. Studeren was vanuit zijn ouders niet aan de orde, al had hij goede cijfers en aanleg voor sociale wetenschappen. Onder zijn leiding groeide het bedrijf door en investeerde het ook veel in innovatie. In 1984 werd het Topa-instituut opgericht om onder andere onderzoek te doen naar duurzamere verpakkingen.

 

Artikel over Artopa in De Voorhouter 31-10-1990
Eerder in 1981, zette Loek Dijkman op 39-jarige leeftijd de eerste stappen in de niet-commerciële wereld via de opening van Artopa, een cultureel centrum in Lisse voor exposities, optredens en oefenruimtes. Dit zou worden gevestigd in een deel van een nieuw bedrijfspand van Topa. Later zouden er ook computers komen om mensen te bekwamen in deze nieuwe technologie. Alles zou gratis voor het publiek toegankelijk zijn. Gebruikers konden er met een pasje in en moesten de ruimtes schoon achterlaten.

Toen de verslaggever van het Leids Dagblad Loek Dijkman bevroeg naar het feit dat er geen enkele opbrengst uit het cultureel centrum te verwachten viel, antwoorde hij:
“Natuurlijk moet een bedrijf winst maken. (…) Een ondernemer is er niet om vliegen te vangen. Anders heeft zijn onderneming geen enkel bestaansrecht. Maar nu is het ook nog eens zo dat je behalve met machines, ook nog eens met mensen werkt. Nou, mijn taak is onder andere de mensen te motiveren en ze te stimuleren, ze op te wekken.”
Nadat Dijkman had gezegd dat het zelf proberen te bespelen van een instrument een extra stimulans was om een cultureel centrum te openen stelde hij ook:
“Waarom kan die jongen die op drie hoog, of hoe hoog ook op zo’n flat woont, waarom kan die zich niet eens lekker uitleven?”

 

Artopa werd in Lisse niet meteen gastvrij ontvangen. Volgens Dijkman zocht de gemeente naar de beweegredenen om een deel van het pand niet-commercieel in te zetten en bleef daardoor de toestemming voor de bouw langdurig uit. De gemeente zou bang zijn geweest voor een soort truc om de bestemming van het perceel te laten wijzigen.
Loek Dijkman zou daar later over zeggen; “Wat er niet is, kan je ook niet vinden” en liet weten dat het voornemen om de kwestie naar de pers te lekken voldoende was om uiteindelijk toestemming voor de bouw te krijgen. Zeven jaar later in 1988, volgde de oprichting van de stichting Utopa. Een initiatief van Loek Dijkman en zijn partner Sylvia de Munck.
Dat was niet zo maar een stichting, want het werd de enige aandeelhouder van het bedrijf Topa. Op deze manier kon de winst van het bedrijf terugvloeien naar de samenleving waar ze volgens Dijkman haar bestaansrecht aan te danken heeft.


Toen Loek Dijkman in 2013 terugkeek op ‘50 jaar anders ondernemen’ stelde hij zelfs dat hij vond dat de samenleving een moreel recht heeft op een deel van dat vermogen.
De doelstelling van de stichting werd om de wereld socialer te maken. In de woorden van Dijkman: “…een iets betere wereld. Een wereld waar ik meer vrede mee kan hebben.”
De naam was niet zomaar gekozen. De naam van het bedrijf liet zich goed combineren met het Utopisime. Een beweging die inspiratie vond in het boek ‘Utopia’ van Thomas Moore (1516) waarin een perfecte samenleving centraal stond.

 

De Zwanburgermolen voor 1987. Fotograaf: J.L.J. Tersteeg.

 

Ten tijde van de oprichting van Utopa, verhuisde Loek Dijkman met zijn gezin naar Groot Leerust in Warmond. Daar werd hij meteen actief als voorzitter van het lokale Historisch genootschap Warmelda, met de ambitie om het ledental fors te vergroten. Het zal vanuit zijn belangstelling voor monumenten en erfgoed zijn geweest dat Dijkman op een dag besloot de overtocht te maken naar de Zwanburgermolen die achter zijn huis op een eiland stond. De Zwanburgermolen was de eerste molen die in 1960 door de Rijnlandse Molenstichting was aangekocht. Dankzij bemiddeling van de eerste voorzitter, de Warmondse bankier Emile Menten, kon de molen voor 1 gulden worden overgenomen van het polderbestuur. Kort daarop werd de molen gerestaureerd en weer geheel maalvaardig gemaakt.


Dat laatste was nog een discussiepunt in het bestuur van de prille stichting, maar besloten werd dat de molens van de stichting niet alleen moesten draaien, maar ook water moesten kunnen verplaatsen, malen dus. Vlak na de restauratie bleek hoe belangrijk dat was, want de molen werd na een periode van hevige neerslag meteen ingezet als noodbemaling, omdat het reguliere gemaal het water niet voldoende kon verwerken.

 

Lijkermolen 1 met vervallen wieken in 1991. Fotograaf onbekend
In de dertig jaren die daarop volgden was de molen echter weer in verval geraakt. En niet alleen deze molen, zo leerde Dijkman in het gesprek met molenaar Leen van der Berg, heel veel molens. Van der Berg gaf Dijkman daarop het telefoonnummer van de toenmalige voorzitter van de Rijnlandse Molenstichting, Dolf Thomassen. Loek Dijkman nam meteen contact op en trad kort daarna toe tot het bestuur met de afspraak om na ongeveer een jaar voorzitter te worden. De eerste zaak die hij in het bestuur oppakte was de restauratie van de Zwanburgermolen en het benaderen van de gemeente voor een hogere jaarlijkse bijdrage aan het onderhoud van de molen.

 

Molenaar van der Berg roeit Loek Dijkman over de Leede in 1994 . De Zwanburgermolen wordt gerestaureerd. Fotograaf: J.L.J. Tersteeg


Eind jaren ’80 zat de Rijnlandse Molenstichting in zwaar weer en was ze technisch failliet met een negatief vermogen van 210.000 gulden en een hypotheek van 150.000 gulden, afgesloten voor noodzakelijke reparaties. Er was met dank aan de verkoop van de Barremolen aan Heineken (in 1971) nog wel 90.000 gulden in een verwante stichting voor de aankoop van molens, maar dat mocht niet voor restauraties gebruikt worden.

Er was zeker 7,5 miljoen gulden nodig om alle molens weer op te knappen. Er werd zelfs gesproken over het stoppen met het onderhouden van molens die ver, en dus grotendeels uit het zicht, in de polder staan. Op het Provinciehuis had de Rijnlandse Molenstichting de bijnaam ‘de wrakkenstichting’ en molenaars die ervoor actief waren werden niet benijd. Bijna alle molens waren in zeer slechte staat en slechts een paar molens waren nog maalvaardig. En ook die hadden veel gebreken.

Het was geen wanbeheer waardoor de stichting er zo slecht voorstond. De eerste decentralisatiegolf woedde net door het openbaar bestuur en overheden wezen daardoor vooral naar elkaar als er geld moest komen voor onderhoud van monumenten. Waar het rijk tot voor kort rechtstreeks geld beschikbaar stelde voor restauraties, ging dat steeds meer via de gemeenten en de provincie. Daarnaast was er vanwege economische omstandigheden door die gemeenten ook minder geld te besteden, want ze kregen te weinig van het rijk.
En bij restauraties was in plaats van de beoogde 80% rijksbijdrage voor dit doel, in de praktijk vaak sprake van slechts 20% tot 30%. Anderzijds had de stichting in de decennia ervoor wel veel molens overgenomen om ze voor verdwijnen te behoeden.

 

Plaquette van Dolf Thomassen op de Moppemolen. 1998. Fotograaf J.L.J. Tersteeg

De toenmalige voorzitter Thomassen moest veel tijd besteden aan het overtuigen van lokale overheden van het belang van de molens. De poldermolens van de stichting staan immers afgelegen en daardoor minder in het zicht dan andere soorten molens. Waar de polders en waterschappen als oud-eigenaren altijd een warm hart voor de molens hadden en daar af en toe nog geld aan bijdroegen, was deze houding bij gemeenten vaak ver te zoeken. Het bestuur uit die tijd had met deze situatie grote moeite en de motivatie was geheel  weg. Wie de verslagen van de bestuursvergaderingen uit die tijd leest ziet de verzuchtingen en wanhoop letterlijk op papier terug. Deze impasse moest dus eerst doorbroken worden, maar het bestuur kon volgens Dijkman ook wel wat bedrijfsmatiger gaan werken. Waar de Rijnlandse Molenstichting tot die tijd ook veel aandacht had voor de historie van het molenerfgoed en de binding met de diverse verwante organisaties, werd dat onder voorzitterschap van Loek Dijkman afgebouwd.
Het jaarlijkse molenboekje met jaarverslag, historische foto’s en molenverhalen verdween in 1990 abrupt. Een besparing van 20.000 gulden per jaar. Zoals hij zelf later zou zeggen: “Een molenstichting is er om voor de molens te zorgen en niet om boekjes uit te geven!”
Ook aan de vertegenwoordiging in het bestuur van de Molenviergang Aarlanderveen (op initiatief van de Rijnlandse Molenstichting opgericht) kwam een einde en er werd geen aandacht besteed aan het bezoeken van de vergaderingen van de landelijke belangenbehartiger De Hollandsche Molen. “Eerst moeten de molens klaar” aldus Dijkman in 1999.

Hij maakte in de jaren erna ook stapsgewijs een einde aan de bestuursstructuur van een dagelijks bestuur en een algemeen bestuur. In het algemeen bestuur zaten van oudsher veel vertegenwoordigers van gemeenten, hoogheemraadschap en organisaties uit de regio. Veel bestuursleden waren niet echt actief voor de stichting en de besluitvorming vertraagde door de twee vergaderingen per jaar van het algemeen bestuur.

 

De laatste bestuursvergadering van voorzitter Anton Bicker Caarten (met hamer) in 1979. Fotograaf: D. Janssen


In de uitnodiging voor zijn eerste vergadering als voorzitter met de leden van het algemeen bestuur schrijft Dijkman dan ook: “Ik denk dat wij als stichting veel kunnen bereiken wanneer we allemaal ons eerst afvragen, wat kan ik doen, voordat we bedenken wat een ander moet, of had moeten doen.” Die boodschap werd begrepen en het aantal bezoekers van de algemene vergadering nam snel af. Hij zocht ook nieuwe bestuursleden die goed wisten hoe de molenwereld in elkaar stak en wist een aantal ervaren mensen te verleiden tot een plaats in het bestuur. Hier was wel de belofte voor nodig dat er eindelijk ook echt iets aan de molens ging gebeuren. Zo ging de stichting met nieuw elan van start met het doel om bijna 40 molens op te knappen met de werkwijze; weinig vergaderen, korte lijnen en veel doen. De verslagen van de bestuursvergaderingen werden direct vervangen door besluitenlijstjes.
Toen Loek Dijkman in 1999 werd gevraagd naar de reden van zijn succes bij het opknappen van de vele molens antwoordde hij:
“Iedereen denkt dat ik gouden vingers heb, maar het is gewoon een kwestie van hard werken en veel uren maken. Vrijwilligersorganisaties zijn perfect, maar discipline is heel belangrijk en daar ontbreekt het vaak aan.”
Het gaat om “de tanden erin en vertrouwen hebben in de zaak!”
En dat werd het nieuwe motto van de stichting bij het eerste ‘restauratie-offensief’.

Echter, voordat geld voor restauraties kon worden gezocht, was er eerst een groter eigen vermogen nodig. Het was niet aannemelijk dat overheden en fondsen geld aan een stichting zouden geven die het regulier onderhoud niet eens kon financieren. Er moest dus eerst geld worden aangetrokken om voor 40 molens voor één jaar 6.000 gulden onderhoud per molen te kunnen betalen, om twee restauraties grotendeels uit te kunnen voeren en om de bestaande hypothecaire lening af te kunnen lossen. In totaal 650.000 gulden.
En dat lukte. Met dank aan fondsen, gemeenten, waterschappen en Provincie kwam het geld op tafel. Met het Hoogheemraadschap van Rijnland werd een renteloze lening afgesloten waarvoor de molen Zelden van Passe als onderpand werd gebruikt. Daarna wilde de stichting snel door met het restauratie-offensief. Vanuit het eigen vermogen kon gestart worden met twee restauraties. Dat was van groot belang om ook resultaat te kunnen tonen naar de buitenwereld. Maar de andere 15 molens die geselecteerd waren voor restauratie leken langer te moeten wachten.

 

Deel artikel Leidsch Dagblad 22 juni 1992

 

In juni 1992 schreef het Leidsch Dagblad dat er nog weinig schot zat in het restauratie-offensief onder de kop; “Molenactie muurvast”. Sommige gemeenten hadden nog niet eens gereageerd op de brief van de molenstichting van een half jaar geleden terwijl een paar molens letterlijk en figuurlijk op het punt van instorten stonden. Dit was Loek Dijkman ten voeten uit. Hij had een zeer directe stijl van opereren. Hij sprak gemeenten en andere overheden aan op hun verantwoordelijkheid voor de molens. Gemeenten mochten mooie woorden over hebben voor de molens, maar dan moesten ze er wel aan mee betalen. En als het nodig was, zoals nu, dan werd de pers ingeschakeld.
Al kon hij ook subtieler opereren door achter de schermen ambtenaren en bestuurders te benaderen om ze van het belang van het molenbehoud te doordringen.

 

Commissaris van de koningin Patijn en Loek Dijkman bij ingebruikname van een molen. Fotograaf J.S. Bakker

 

Later genereerde succes nieuw succes. Toen na veel inspanningen van het bestuur  het geld beschikbaar kwam van donateurs, sponsoren, fondsen en overheden werd er na de restauratie veel aandacht besteed aan het in gebruikstellen van de molens en mochten bestuurders ceremonieel de vang lichten. Tijdens enkele vaartochten over de vele plassen in het noorden van de provincie konden de aanwezige wethouders en andere vertegenwoordigers van overheden die de recent gerestaureerde molens kwamen bewonderen, ook gewezen worden op de molens die nog op betere tijden wachtten. Het resultaat was dat na 1994 twaalf molens waren gerestaureerd. Voor drie molens was het helaas niet gelukt om de financiering rond te krijgen. En in de jaren 1993 en 1994 werden plannen gemaakt om nog eens 9 molens te kunnen restaureren. Uiteindelijk werden er in zeven jaar tijd 22 molens gerestaureerd.

 

 

Molenaar Van de Pouw Kraan en Loek Dijkman bij de Lijkermolen 1 in 1996. Fotograaf onbekend

 

Dijkman maakte daarbij niet altijd vrienden. Met medewerkers van de Provincie Zuid-Holland en de Rijksdienst voor Monumentenzorg lag hij met enige regelmaat in de clinch als er bijvoorbeeld vraagtekens werden gezet bij de vernieuwing van onderdelen van een molen, terwijl de oude onderdelen nog te gebruiken waren. Dit om authentiek materiaal te behouden. Of als hij zelf wat schoof met bedragen van besparingen en meerwerk binnen een restauratie. Dat was niet volgens de subsidie-aanvraag en dat kon dus niet zomaar.
Het laat zich raden wat Dijkman daarvan vond. Het blad Molenwereld tekende in 1999 uit zijn mond op: “De procedures in de molenwereld lopen als dikke stront, 't is allemaal veel te bureaucratisch, de procedures duren te lang, het kàn gewoon niet langzamer!” Iets anders waar Dijkman op werd aangesproken was het feit dat de gerestaureerde molens er wel weer mooi bij stonden, maar voor een behoorlijk deel niet maalvaardig waren gerestaureerd. Hij vond het vooral belangrijk dat ze er goed uitzagen en weer konden draaien.

Maar dat veranderde eind oktober 1998. Het jaar 1998 ging de boeken in als een zeer nat jaar met anderhalf keer meer neerslag dan gemiddeld.
Een zeer neerslagrijke zomer ging over in een zeer nat najaar met op dat moment storm en stortbuien die vooral in Noord- en Oost-Nederland voor grootschalige wateroverlast en lokaal zelfs voor evacuaties zorgden. Begin november werd daar zelfs het leger ingezet.

Zover komt het in Rijnland gelukkig niet, maar de gemalen konden het water hier uiteraard ook niet aan en ook de noodpompen van het waterschap schoten tekort.
Loek Dijkman komt op een idee en belt om 6 uur ’s ochtends het waterschap om de diensten van de molenaars aan te bieden. Na een afwijzende reactie belt een uur later de Dijkgraaf toch terug om het aanbod aan te nemen. Binnen drie uur werd er een crisiscentrum opgericht en waren 11 molenaars met hun recent gerestaureerde molen in bedrijf. In de avond moest het malen zelfs worden afgebouwd om de boezem niet te veel te belasten. Achteraf noemde Dijkman dit “de mooiste dag van mijn leven” en een zekere vorm van “Nationaal gevoel”. Hij nam zich meteen voor om alle molens ook maalvaardig te herstellen.

 

Artikel Leidsch Dagblad over inzet molens als reservebemaling

 

Klaashennepoelmolen in 1998. Fotograaf: L. Vellekoop
In de jaren erna werden met de waterschappen in het werkgebied reservebemalingsovereenkomsten opgesteld om de inzet van de molens formeel te regelen, uiteraard tegen een jaarlijkse onderhoudsvergoeding per molen.

In 1999 gaat het tweede restauratie-offensief van start, nu met een naam; ‘Alle zeilen bij’. Een aantal molens wachtte nog op restauratie en een aantal molens moesten dus ook weer kunnen malen. Voor deze fase is 3,5 miljoen gulden nodig, waarvan er 1,5 miljoen gulden in kas is. En het mag geen verbazing wekken, maar ook deze restauratiefase lukt. Al krijgt de Rijnlandse Molenstichting in deze fase wel wat kenmerken van een verhuisbedrijf. Drie molens worden vanwege geplande bebouwing verplaatst, al wil Dijkman het verplaatsen van molens tot een minimum beperken.

 

Loek Dijkman bij de ingebruikname van de Klaashennepoelmolen in 2006. Fotograaf: J.L.J. Tersteeg
Zelfs de Klaashennepoelmolen, daadwerkelijk een ruïne, wordt gerestaureerd. Dit was een molen die Loek Dijkman begin jaren ‘90 eigenlijk al had opgegeven.

Een bijzonder staaltje onderhandelingskunst laat hij tussendoor zien als de Moppemolen, door de aanleg van de Hogesnelheidslijn (en de latere verbreding van de A4), afgesloten lijkt te worden van de aanvoer van polderwater. Het was voor dit project goedkoper om de molentocht af te sluiten.
Dijkman, recent doordrongen van het belang dat molens kunnen malen, weet na langdurige onderhandelingen een 250 meter lange duiker te regelen. Kosten? 1,1 miljoen gulden. Om de onderhandelingen te bevorderen had hij een bijdrage van 150.000 gulden van de Rijnlandse Molenstichting geboden. Tijdens de twee restauratieoffensieven blijkt dat Loek Dijkmans betekenis voor de molens niet stopt bij die van de Rijnlandse Molenstichting. Door zijn vele briefwisselingen met gemeenten, provincie en het Rijk weet hij de subsidieverstrekking voor restauraties te verbeteren en logischer te maken. Iets waar ook andere moleneigenaren van profiteren.

In de woorden van Dijkman zelf: “De molenwereld conformeert zich teveel aan gangbare stromingen: Is de subsidieregeling niet in orde, of in ieder geval onvoldoende, dan zegt men "Tsja, we zullen moeten roeien met de riemen die we hebben". Ik zeg dan: Nee, we moeten de straat op!”

Maar, het was niet alleen publiek geld dat heeft geholpen de molens te restaureren. In het archief duiken ook een paar overeenkomsten ondertekend door ene Loek Dijkman, voorzitter van de stichting Utopa met Loek Dijkman, de voorzitter van de Rijnlandse Molenstichting, voor een bijdrage aan een molen. Uitdrukkelijke voorwaarde in de overeenkomst: De Stichting Utopa stelt geen prijs op publiciteit.

 

Uitreiking zilveren anjer door koningin Beatrix. Fotograaf: A. Stoffels

 

Voor dit alles en nog veel meer ontvangt Loek Dijkman in 2008 de Zilveren Anjer, de hoogste culturele onderscheiding van het land. Dijkman was uniek, want hij was actief op alle gebieden die onder deze onderscheiding vallen, want hij heeft met Utopa onder andere ook een orgelmuseum opgericht in Amsterdam, alsook een beeldengallerij in Wageningen (Het Depot) en heeft twee arboreta in dezelfde plaats weten te behouden. In Leiden werd het oude weeshuis aan de Hooglandsekerkgracht aangekocht en gerestaureerd en werden betaalbare werkruimten voor organisaties op het gebied van kinderrechten (en een zekere molenstichting) aangeboden.

 

Loek Dijkman met het polderglas. Fotograaf onbekend
De molenaars van de Rijnlandse Molenstichting zetten deze onderscheiding luister bij door hem een hensbeker of polderglas aan te bieden. Daarop prijkt de Zwanburgermolen, de molen waar hij in 1995 zijn trouwfoto’s liet maken en hij met zijn geliefde Sylvia naar werd overgevaren door molenaar Van der Berg.

Precies 40 jaar eerder kreeg de tweede voorzitter van de Rijnlandse Molenstichting, Anton Bicker Caarten, ook de Zilveren Anjer. Toen Bicker Caarten deze onderscheiding kreeg werd tegen hem gezegd:
“U hebt u naar eigen zeggen nooit beziggehouden met de techniek van de molens. Het is u altijd gegaan om meer dan het behoud van de molens als ding, als bezienswaardigheid (…). Wat u boeide was het menselijk leven op en rond de molen (…). In een alles omvattende aandacht bent u doorgedrongen tot dat heel aparte slag mensen dat molenaars vormen.”

 

Loek Dijkman onder de molenaars. Fotograaf onbekend
Het had over Loek Dijkman kunnen gaan. Loek Dijkman heeft de Rijnlandse Molenstichting, naast financieel gered, ook zeker gevormd, maar de molenaars van de stichting hebben ook Loek Dijkman gevormd. Op hen was hij het meest trots en hij was graag in hun gezelschap. Een zwak had hij voor de oude beroepsmolenaars, “de mensen die vroeger nachtenlang hebben gemalen. Onze eregasten.”

Om onopgehelderde redenen dacht Loek Dijkman dat hij de derde, in plaats van de vierde voorzitter van de Rijnlandse Molenstichting was. In het boek dat in 2009 werd uitgegeven bij het 50-jarig jubileum van de stichting, met de naam; ‘Geef ons de ruimte’, gaat hij in zijn bijdragen alleen in op voorgangers Bicker Caarten en Thomassen. Het initiatief voor de oprichting van de stichting zou komen van een ‘burger uit Warmond’. Of hij hiermee indirect de eerste voorzitter Menten bedoelde is niet duidelijk. (Het initiatief kwam daar echter ook niet vandaan.)

Loek Dijkman schreef ook mee aan een ander boek. Een boek over de woning waarin hij met zijn gezin ging wonen na verhuizing naar Leiden; ’t Lant van Beloften. Het bijzondere van dat huis is volgens Dijkman dat het “gelezen” kan worden als een boek. Elke nieuwe eigenaar had zijn toevoeging aan het huis zodanig verricht dat de perioden daarvoor nog steeds te reconstrueren vielen.

 

Loek Dijkman onthult de plaquette aan de Waterloosmolen, ter herinnering aan Anton Bicker Caarten 21-6 1997. Fotograaf: JLJ Tersteeg

 

De Rijnlandse Molenstichting kan dankzij Loek Dijkman ook zo gelezen worden. Hij liet zijn voorganger Bicker Caarten eren met een plaquette op de Waterloosmolen. En voorganger Thomassen kreeg er een op de Moppemolen. (Dijkman kreeg bij zijn afscheid een eigen plaquette op de Zwanburgermolen.) De verdiensten van twee van zijn voorgangers werden op deze manier blijvend in herinnering gebracht. Hij had ook veel met ze gemeen. Met Bicker Caarten deelde hij overduidelijk de liefde voor de molenaars en hun gebruiken. Want ondanks dat de stichting er niet voor was om boekjes uit te geven, verscheen in 1993 het in eigen beheer uitgegeven ‘Niet van wind alleen’. Een boek met portretten van molenaars van fotograaf Els Hansen en teksten van Maarten het Hart. Met voorzitter Dolf Thomassen was de overeenkomst dat het belang van de molens permanent onder de aandacht van de overheid werd gebracht en er werd gezocht naar geld.

 

Trouwfoto van Loek en Sylvia met het molenaarsechtpaar Van der Berg bij de Zwanburgermolen. Fotograaf: E. Hansen

 

Maar ook met de eerste voorzitter Menten had hij veel gemeen. Beide mannen waren bemiddelde personen, langdurig woonachtig in Warmond, hadden veel moed en doorzettingsvermogen en begonnen hun bestuurlijke functie bij de molenstichting via een vervallen Zwanburgermolen en lieten deze als eerste restaureren.
En beiden waren zoekende als het ging om de vraag of de molens ook maalvaardig moesten worden gerestaureerd.

De Rijnlandse Molenstichting laat zich dus nog steeds lezen via diverse hoofdstukken, maar er is absoluut ook sprake van een periode vóór Loek Dijkman en na Loek Dijkman.
Bij zijn afscheid als voorzitter in 2012 werd Loek Dijkman benoemd tot erevoorzitter.
Want, zijn prestaties, in een relatief kort tijdsbestek, zijn groot en indrukwekkend.
Al is er uiteraard door velen onder zijn voorzitterschap hard gewerkt.
Zelf zou hij zeggen: “Succes heb je niet alleen aan jezelf te danken.”
Maar we kunnen er niet omheen dat Loek Dijkman een bijzonder mens was.

Zoals wijlen Arie Meerburg, vicevoorzitter van de Rijnlandse Molenstichting in 1999 zei: “Loek Dijkman is een gedreven persoon, een persoonlijkheid waarin een ‘harde’, zakelijke, en een ‘zachte’ (…) inborst samenwonen. Dat maakt hem tot een uniek mens, een goed mens.”

Dijkman sprak graag over zijn utopische idealen en bracht deze daadwerkelijk in de praktijk. De betekenis daarvan mag niet worden onderschat.

In 2022 zette Loek Dijkman in het blad ‘Andersland’, zijn ideeën over deze idealen op papier.
Hij schreef:

“Utopische idealen wijzen de weg.
Het proberen onze samenleving te verbeteren is alleen al de moeite waard. We hoeven niet altijd bij de pakken neer te zitten. Utopische dromen geven hoop. Hoop op een betere toekomst. Een betere toekomst voor onszelf, voor onze kinderen en voor onze aarde.”

 

Bericht bij het overlijden van Loek Dijkman van de Rijnlandse Molenstichting

 

Auteur: B. Vermeulen.

 

Bronnen:

Andersland 04. 2022. Idealenfabriek; stichting Utopa. https://www.idealenfabriek.nl/nl/Lezen/Tijdschrift-Andersland

De Voorhouter. 31 oktober 1990 . https://leiden.courant.nu/issue/DV/1990-10-31/edition/null/page/21

Dijkman, L. 50 jaar anders ondernemen. 2013. Stichting Utopa, Waanders Uitgevers.
https://utopa.nl/50-jaar-anders-ondernemen

Dijkman, L. (eindredactie). ’t Lant van beloften. De geschiedenis van een Hollands huis in Leiden. 2015. Waanders Uitgevers Zwolle

Leidse Courant 24 oktober 1980. https://leiden.courant.nu/issue/LLC/1980-10-24/edition/0/page/5

Leidsch Dagblad. 22 juni 1992. https://leiden.courant.nu/issue/LD/1992-06-22/edition/0/page/6

Molenwereld: edities maart 1999, september 1999, maart 2000, maart 2001, september 2008, juni 2009, december 2012. https://www.molenwereld.com/digitaal-monument/

Rijnlandse Molenstichting. Notulen van vergaderingen van het algemeen bestuur, met convocaties en presentielijsten, 1958-1997
https://proxy.archieven.nl/319/C721E61BB445405BB055A5ADE06E449F

Rijnlandse Molenstichting. Notulen van vergaderingen van het dagelijks bestuur, met bijlagen, 1979-1999, 2002: https://proxy.archieven.nl/319/42340C187B7D4221A580080655E66846

Rijnlandse Molenstichting. Geef ons de ruimte. 50 jaar Rijnlandse Molenstichting. 2009. Uitgeverij Waanders b.v. Zwolle. https://www.rijnlandsemolenstichting.nl/molenvoorwerpen/documentatie

 

Deze website maakt gebruik van cookies om u een optimale gebruikerservaring te bieden.

Meer info