Ik ben hier molenaar vanaf 2012. Mijn opleiding begon ik in 1974 bij het Molengilde. De Rijnlandse Molenstichting had toen ook een aantal oud beroepsmolenaars waar je kon leren hoe met een molen om te gaan Eerst bij Bart Kraan in Hazerswoude Rijndijk op de Groenendijkse. Ook bij Bram van Seggelen van de Vrouw Venner en Langeveld van de Hoogewegse molen, trouwens overal waar je wat mocht doen ging je naartoe. In die tijd mocht je niet zomaar aan de vang komen, daar waren die oude molenaars zuinig op.

Ik heb niet altijd een eigen molen gehad. De Grosmolen was mijn eerste molen, de Rooie wip in Hazerswoude, de Akkersloot, de Googer, Vrouw Venner, ”assistent” op de Vrouwgeest, allemaal kortere periodes, van ongeveer 1982 tot1988 molenaar van de middelmolen in Leidschendam, daarna had ik een kwekerij en was het uit met de vrije tijd.
Maar ik zag die Kagermolen veel stilstaan en toen heb ik daar ongeveer tien jaar gemalen tot het met de tijd niet meer ging, toen is Jan Verhaar daar molenaar geworden.
Ik kom niet echt uit een molenaarsfamilie maar er was altijd wel dat verhaal van die oudoom die verongelukt was bij het ijsvrijmaken van het scheprad na vorst. Hij was nog maar 28 jaar en had vrouw en kind. Zijn vader was molenmaker en diens vader en broer ook molenaar. Misschien komt mijn molenpassie daar vandaan.

De mooie kanten van het molenaarswerk vind ik de spanning bij slecht weer, dat je die molen dan zo goed mogelijk laat malen maar dat is wel eens lastig, vooral bij zwaar buiig weer.
Voorop staat dat je het spul heel probeert te houden. Zo een dag op de molen ben je er echt helemaal uit, kom je moe maar voldaan thuis.
De Rode molen loopt vrij licht, heeft een kleine vijzel in verhouding tot de grootte van de molen. De oude molenaars zeiden dan: “Het is een paard voor een hondekar.” Hij is een van de eersten die water geeft. Als hij goed doorloopt geeft hij ongeveer 20 kuub per minuut. Als er ijs in de sloten ligt laat ik de molen staan en hoop ik op sterk ijs. Tochten maken op de schaats, bijvoorbeeld hier op de Kaag; de Molen en Merentocht, Nieuwkoop en in de Alblasserwaard en steeds verder tot in Friesland aan toe.
Als ik een paar dagen niet op de molen geweest ben en er komt een mooie wind . . . dan word ik onrustig, vooral als het veel geregend heeft, dan wil ik er naartoe. Mijn kinderen vinden het ook interessant. Met molendagen komen ze langs. Met mijn kleinzoon ben ik naar het stoomgemaal in Halfweg geweest. Dat vond hij prachtig.
Normaal maal ik 2 keer per week. Als het windstil is, blijf ik thuis of ik ga de werf bijhouden, gras maaien, soms met de zeis of baggeren met de beugel, wat teer- of timmerwerk doen.
Als ik op de molen zit en het loopt goed, radio, bakkie koffie erbij, dan geniet ik al is het weer nog zo slecht.