Molenstanden

Diverse uitdrukkingen in onze taal hebben met molens te maken, maar de molens zelf spreken ook een eigen taal via de stand van de wieken. Uiteraard zijn het de molenaars die via de wieken uitdrukking willen geven aan bepaalde gebeurtenissen. Het is moeilijk te achterhalen tot wanneer deze gebruiken teruggaan, maar het betreft zeer oude gewoonten die door de molenaars in stand worden gehouden.

 

Sinds 2017 is het ambacht van molenaar opgenomen op de lijst van Unesco-immaterieel erfgoed. Unesco omschrijft dit erfgoed als volgt:

Immaterieel erfgoed is ‘levend erfgoed’. Het omvat sociale gewoonten, voorstellingen, rituelen, tradities, uitdrukkingen, bijzondere kennis of vaardigheden die gemeenschappen en groepen (en soms zelfs individuen) erkennen als een vorm van cultureel erfgoed. Een bijzonder kenmerk is dat het wordt overgedragen van generatie op generatie en belangrijk is voor een gemeenschappelijke identiteit.

 

Als Rijnlande Molenstichting willen we de gewoonten en tradities van de wiekstanden uit onze regio behouden en daarmee de instandhouding van dit immaterieel erfgoed bevorderen.

Hieronder staan de molenstanden beschreven die in onze regio, het Rijnland, zijn gedocumenteerd. In een aantal beschrijvingen staan er de plaatsen achter waar deze in het verleden gedocumenteerd zijn.

 

Diverse molenstanden komen in een groot deel van Nederland op (ongeveer) dezelfde wijze voor, maar de duur van de standen kan behoorlijk afwijken.

 

Het is belangrijk om op te merken dat de rouwstand en vreugdestand in het zuidoosten van Nederland het tegenovergestelde zijn van de rest van het land.

 

Molenwieken draaien linksom, dus tegen de wijzers van de klok in (in tegenstelling tot windturbines). Vanuit deze draaiwijze moeten de molenstanden “gelezen” worden.

 

Lange rust Adermolen:

Als de molen voor een langere tijd in rust staat, dan staan de wieken onder een hoek van 45 graden met de horizon. In het verleden kwam dit vaak bij poldermolens van april tot september voor, omdat er dan weinig water uit de polder moest worden gemalen. Een belangrijk voordeel van deze stand is de verminderde kans op blikseminslag.

 

Deze stand werd ook wel gebruikt om op basis van onderlinge afspraken door te geven dat de molenaar bijvoorbeeld bij iemand op bezoek zou komen. Veel molenaars woonden of werkten immers erg afgelegen. Deze stand werd dan toegepast in periodes dat de molen regelmatig draaide en deze in korte rust stond.

 

Deze stand noemen we ook wel overhek.

 

Korte rust Lijkermolen II

Als de onderste wiek geheel voor het midden van de molenromp staat, dan staat de molen in korte rust. Deze stand geeft aan dat de molen tijdelijk in rust is en dat de molenaar op korte termijn de werkzaamheden weer zal aanvangen. Deze stand heeft als voordeel dat de molenaar snel weer het eerste molenzeil kan aanbrengen.

 

Deze stand noemen we op poldermolens ook wel de rechtstand of “een roede voor de borst”.

 

Als in deze stand de onderste wiek met een zeil is bespannen, dan geeft dit aan dat de molenaar wel wil malen, maar dit door een bepaalde oorzaak (defect aan de molen) niet kan en ook een verzoek om hulp (regio Hoogmade en Leiderdorp). Omdat de meeste polders inmiddels (ook) door een gemaal worden bemalen zal deze stand niet/nauwelijks meer voorkomen.

 

In sommige plaatsen zoals Rijpwetering kwam het voor om in dit geval de molen een beetje in de rouw te zetten. Dus tussen de rechtstand en de rouwstand in (zie rouwstand).

Bij langdurige mankementen werd de molen overhek (zie lange rust) geplaatst.

 

Vreugde Achthovense molen:

De molen staat in de vreugd als de onderste wiek iets voor het midden van de molen staat. Dat is van vooraf gezien ter linkerzijde. Dit heet de komende stand (wieken draaien tegen de wijzers van de klok in) en dit staat voor de toekomst of voor vreugde.

 

Deze stand werd niet alleen voor het molenaarsgezin gebruikt, maar ook voor de ingelanden en notabelen van de polder (en vrienden en kennissen van de molenaar).

 

Bij trouwen van een omwonende was het gebruikelijk om tijdens de twee weken van ondertrouw de molen in de vreugd te zetten. Op de trouwdag werd de vlag aan de bovenste wiek bevestigd. De molenaar ontving voor dit gebaar vaak een zakje bruidssuikers (Aarlanderveen, Alkemade, Hazerswoude), al kwam het voor dat als de bruidssuiker op de dag van trouwen niet was gebracht, de vlag achterwege werd gelaten.

 

Bij het trouwen van een molenmaker stonden alle molens in de regio twee weken in de vreugdestand (o.a. Hazerswoude en Rijpwetering).

 

Bij een geboorte staat de molen een etmaal in de vreugdestand.

 

Als op een feestdag de molen moest malen en deze dus niet in de vreugdestand kon worden geplaatst, dan werd de vlag vaak op de molenkap geplaatst.

 

Feest Broekdijkmolen:

Bij uitbundige vreugde of feest werden de molenzeilen in sierlijke slingers door de wieken gevlecht (dan waren er meer dan vier zeilen nodig). De boveneinden van drie wieken werden dan met een touw met vlaggetjes aan elkaar verbonden. Op deze drie wiekeinden werd vaak een vlag geplaatst. De molen stond dan ook in de vreugd, ofwel in de komende stand. (in een groot deel van de rest van Nederland staat de molen dan in de stand van de Lange rust).

 

Rouw Googermolen:

De molen staat in de rouw als de onderste wiek een stukje voorbij het midden van de romp wordt geplaatst. Dit is ter rechterzijde. Dit heet ook wel de gaande stand, want molens draaien tegen de wijzer van de klok in. Door deze “doorgeschoten” stand wordt droefenis tot uitdrukking gebracht. Als een lid van het molenaarsgezin overleed werd de molen één jaar en zes weken in de rouwstand geplaatst of soms wel twee jaar. Dit heet “zware rouw”. Daarbij staan de wieken vaak iets meer doorgeschoten dan bij lichte rouw.

 

Bij andere sterfgevallen, zoals van een collega-molenaar of andere goede bekende staat de molen zes weken in de rouw, dit is lichte rouw.

 

Als een begrafenisstoet een draaiende molen passeerde, dan werd de molen even stil en in de rouwstand gezet (o.a. Hazerswoude).

 

Rouw wordt ook niet door vreugde doorbroken, op bijvoorbeeld feestdagen kunnen dus molens worden aangetroffen in een andere stand dan de vreugdestand.

 

In 1951 bracht de PTT de 2-cents Kinderpostzegel uit met daarop een lachend meisje voor de Vlietmolen in Hoogmade. De Vlietmolen staat echter in de rouwstand. Deze stand was waarschijnlijk niet bij de fotograaf bekend.

 

Bronnen:

Molenleven in Rijnland. 1946. A. Bicker Caarten.

De Molen in ons volksleven. 1958. A. Bicker Caarten.

Deze website maakt gebruik van cookies om u een optimale gebruikerservaring te bieden.

Meer info