Bovenmolen

Leidschendam

Bestemming

De molen is de derde trap van de Molendriegang van de Driemanspolder en wordt in bedrijf gehouden door een vrijwillig molenaar. De opvoerhoogte is 1,35 meter.
 

Historie
De Bovenmolen werd in 1672 samen met zes andere molens gebouwd om door turfwinning ontstane waterplassen droog te maken. Dankzij de al aanwezige Landscheiding tussen Rijnland en Delfland was een deel van de benodigde omringdijk al aanwezig. Na aanleg van de dijk werden de zeven molens in twee molenviergangen gebouwd. Eén molen was al eerder gebouwd.
Met acht poldermolens werd de polder vervolgens droog gemaakt. In 1679 en 1687 werd van allebei de viergangen de toenmalige bovenmolen aan de Stompwijksevaart buiten gebruik gesteld en later afgebroken.

 

Zo bleven er twee molendriegangen over; een zuidelijke die ook wel de Kostverlorengang werd genoemd en een noordelijke die ook wel de Kerklaangang heette. De huidige Bovenmolen is onderdeel van de Kerklaangang.


Dokter Adrianus Quack had in 1668 het octrooi gekregen om de waterplassen droog te maken. In totaal waren er 22 deelnemers bij de droogmaking betrokken en uit hun
midden werd jaarlijks een commissie van drie (mannelijke) bestuursleden gekozen. Zo ontstond de naam Driemanspolder. Dokter Quack werd een van de eerste
bestuursleden. Op een in 1935 geplaatste gevelsteen op de Bovenmolen wordt het octrooi herdacht.


Om het waterpeil beter te kunnen beheersen werd in 1877 een stoomgemaal gebouwd. Het gevolg hiervan was dat drie molens van de Kostverlorengang werden
afgebroken.
De overgebleven driegang bleef de hoofdbemaling van de polder met het stoomgemaal als aanvulling in windstille tijden of bij veel regenval.


In 1922 stapt men voor het gemaal over op een ruwoliemotor wat een betere waterafvoer bewerkstelligde, maar nog steeds niet efficiënt werkte.
Dat veranderde in 1951 toen men overstapte op een elektrisch gemaal en de molendriegang buiten bedrijf werd gesteld. Wat meespeelde was dat de molens
tijdens de oorlog veelvuldig in bedrijf waren vanwege brandstofschaarste en daardoor groot onderhoud nodig hadden. Ook de in 1945 geplaatste
centrifugaalpomp in de Ondermolen werkte niet goed. Het polderbestuur zag deze herstelkosten niet zitten.


Om de molens voor verwaarlozing en verdwijnen te behoeden kocht de Provincie Zuid-Holland de molens in 1958 aan en liet ze herstellen door molenmaker De
Gelder. Dit was mede ingegeven door de wet Bescherming Waterstaatswerken in Oorlogstoestand (BWO) die uitging van het op windkracht kunnen bemalen van
polders in het geval van eventuele toekomstige oorlogshandelingen.

 

De Gelder verving bijna alle staven en kammen van de draaiende onderdelen en
verving het Dekkersysteem voor fokken. Verder werd de rietbedekking aangepakt. Hierna waren de molens weer geheel maalvaardig.


In de praktijk draaiden de molens de eerste twintig jaar weinig, maar vanaf de jaren ’80 ongeveer eens per maand.


In 2014 werd begonnen om de lekkende watergang van de Bovenmolen te herstellen en in 2018 werd de keerkuip hersteld. In 2020 volgde vervanging van het
linkervoeghout door kunsthars.


In de afgelopen tien jaar is de Provincie op het standpunt komen te staan dat het bezit van molens niet meer bij haar taken hoort en ging men op zoek naar een koper.
De Rijnlandse Molenstichting bleek de enige partij die aan alle voorwaarden kon voldoen en nam de molendriegang in december 2023 van de provincie over. Op 9
maart 2024 werden de molens symbolisch overgedragen aan de stichting. 

 

Seingeving
De polders ten zuiden van de Rijn en langs de Gouwe waren onderworpen aan een maalpeil om overstromingen te voorkomen. Als de waterstand in de boezem te hoog werd mocht er geen water de polders meer uitgemalen worden. Een aantal molens had daarom de functie gekregen van seinmolen om voor het bereiken van het maalpeil te waarschuwen. Overdag werd dan op de seinmolen aan de rechtopstaande wiek een zwart-wit-zwarte-vlag gehesen; 's nachts werd een heldere lantaarn gebruikt. De molenaars in de omgeving wisten dan dat ze zo snel mogelijk moesten stoppen met malen.


In 1928 werd de Bovenmolen de seinmolen voor een eigen seingroep. Tot dat jaar vielen de molens van de Driemanspolder onder de seingeving van de seinpaal bij het gemaal van de Geer- en Kleine Blankaardpolder. Omdat er eind 1927 in het zuidelijk deel van Rijnland veel wateroverlast was geweest hadden een aantal polders en gemeenten gevraagd of de Bovenmolen een seinmolen kon worden. Na een onderzoek door het Hoogheemraadschap bleek dat het logischer was om een groot deel van de polders die (indirect) op de Stompwijksevaart uitwaterden en in het zuidwestelijk deel van de Rijnland lagen, maar onder de seingeving van de Zelden van Passe vielen in een aparte seingroep onder te brengen. Omdat de zichtbaarheid van de seinpaal van de Geer- en kleine Blankaardpolder ook een probleem was
(vanuit de Bovenmolen was deze wel te zien, maar bij het gemaal van de Driemanspolder niet) werd de Bovenmolen een seinmolen van een eigen seingroep.


De volgende polders vielen onder de seingeving van de Bovenmolen: De Driemanspolder inclusief het gemaal, de Gecombinaarde Starrevaart- en Damhouderpolder, de Kleine Starrevaartpolder, de Knippolder, de Oostboschpolder en de Rietvinkpolder.


In 1959 werd, ondanks de buitengebruikstelling, besloten om de molen als seinmolen te handhaven, want het was inmiddels nog maar de enige (op de andere molens van
de driegang na) molen in de seingroep. Omdat uiteraard ook de gemalen zich aan het maalpeil moesten houden, bleef er behoefte aan een goed zichtbare plek. Na
restauratie van de molen in opdracht van de Provincie, kreeg de molen weer een vlag en lantaarn als seinmiddelen. De eerdere seinmiddelen waren verdwenen.
De Bovenmolen bleef een seinmolen tot de afschaffing van het systeem in 1974.

Deze website maakt gebruik van cookies om u een optimale gebruikerservaring te bieden.

Meer info