Middenmolen

Leidschendam

Bestemming
De molen is de tweede trap van de Molendriegang van de Driemanspolder en wordt in bedrijf gehouden door een vrijwillig molenaar. De opvoerhoogte is 1,35 meter.
 

Historie
De Middenmolen werd in 1672 samen met zes andere molens gebouwd om door turfwinning ontstane waterplassen droog te maken. Dankzij de al aanwezige
Landscheiding tussen Rijnland en Delfland was een deel van de benodigde omringdijk al aanwezig. Na aanleg van de dijk werden de zeven molens in twee
molenviergangen gebouwd. Eén molen was al eerder gebouwd. Met acht poldermolens werd de polder vervolgens droog gemaakt.
In 1679 en 1687 werd van allebei de viergangen de toenmalige bovenmolen aan de Stompwijksevaart buiten gebruik gesteld en later afgebroken.

 

Zo bleven er twee molendriegangen over; een zuidelijke die ook wel de Kostverlorengang werd genoemd en een noordelijke die ook wel de Kerklaangang heette. De huidige Bovenmolen is onderdeel van de Kerklaangang.


Om het waterpeil beter te kunnen beheersen werd in 1877 een stoomgemaal gebouwd. Het gevolg hiervan was dat drie molens van de Kostverlorengang werden afgebroken. De overgebleven driegang bleef de hoofdbemaling van de polder met het stoomgemaal als aanvulling in windstille tijden of bij veel regenval.

 

In 1922 stapt men voor het gemaal over op een ruwoliemotor wat een betere waterafvoer bewerkstelligde, maar nog steeds niet efficiënt werkte.
De Middenmolen kreeg, samen met de andere molens, in 1935 het systeem Dekker op de roeden. Dit moest zorgen voor meer windvang. In datzelfde jaar brak de binnenroede tijdens het malen en raakte ook de buitenroede beschadigd. Deze werden snel vervangen.


In 1951 stapte het polderbestuur over op een elektrisch gemaal en de molendriegang werd buiten bedrijf gesteld. Wat meespeelde was dat de molens tijdens de oorlog
veelvuldig in bedrijf waren vanwege brandstofschaarste en daardoor groot onderhoud nodig hadden. Ook de in 1945 geplaatste centrifugaalpomp in de
Ondermolen werkte niet goed.

 

Het polderbestuur zag deze herstelkosten niet zitten. Om de molens voor verwaarlozing en verdwijnen te behoeden kocht de Provincie Zuid-Holland de molens in 1958 aan en liet ze herstellen door molenmaker De Gelder. Dit was mede ingegeven door de wet Bescherming Waterstaatswerken in Oorlogstoestand (BWO) die uitging van het op windkracht kunnen bemalen van polders in het geval van eventuele toekomstige oorlogshandelingen. De Gelder verving bijna alle staven en kammen van de draaiende onderdelen en verving het in 1935 aangebrachte Dekkersysteem voor fokken. Verder werd de rietbedekking aangepakt. Hierna waren de molens weer geheel maalvaardig.


In de praktijk draaiden de molens de eerste twintig jaar weinig, maar vanaf de jaren ’80 ongeveer eens per maand.

 

Rond het jaar 2000 vond een grote restauratie plaats en werden onder andere nieuwe roeden aangebracht en delen van het scheprad vernieuwd.

 

In 2013 werd begonnen om de lekkende watergang van de Middenmolen te herstellen en in 2016 werd de fundering van de enigszins scheef staande molen hersteld. In 2020 kreeg bij onderhoudswerk de molen onder andere een nieuwe baard.


In de afgelopen tien jaar is de Provincie op het standpunt komen te staan dat het bezit van molens niet meer bij haar taken hoort en ging men op zoek naar een koper. De Rijnlandse Molenstichting bleek de enige partij die aan alle voorwaarden kon voldoen en nam de molendriegang in december 2023 van de provincie over. Op 9 maart 2024 werden de molens symbolisch overgedragen aan de stichting.

Deze website maakt gebruik van cookies om u een optimale gebruikerservaring te bieden.

Meer info