Ondermolen

Leidschendam

Bestemming

De molen is de eerste trap van de Molendriegang van de Driemanspolder en wordt in bedrijf gehouden door een vrijwillig molenaar. De opvoerhoogte is 2,55 meter.

Historie

De voorloper van de huidige Ondermolen werd in 1672 samen met zes andere molens gebouwd om door turfwinning ontstane waterplassen droog te maken. Dankzij de al aanwezige Landscheiding tussen Rijnland en Delfland was een deel van de benodigde omringdijk al aanwezig. Na aanleg van de dijk werden de zeven molens in twee molenviergangen gebouwd. Eén molen was al eerder gebouwd.
Met acht poldermolens werd de polder vervolgens droog gemaakt.
In 1679 en 1687 werd van allebei de viergangen de toenmalige bovenmolen aan de Stompwijksevaart buiten gebruik gesteld en later afgebroken.


Zo bleven er twee molendriegangen over; een zuidelijke die ook wel de Kostverlorengang werd genoemd en een noordelijke die ook wel de Kerklaangang heette. De huidige molendriegang is de Kerklaangang.

 

Om het waterpeil beter te kunnen beheersen werd in 1877 een stoomgemaal gebouwd. Het gevolg hiervan was dat drie molens van de Kostverlorengang werden afgebroken.
De overgebleven driegang bleef de hoofdbemaling van de polder met het stoomgemaal als aanvulling in windstille tijden of bij veel regenval.

 

Op 11 juli 1902 brandde de Ondermolen door blikseminslag af. De Hazerswoudse molenmaker Jan Dekker bouwt daarna een grotendeels nieuwe molen op. In deze tijd werden vaak buiten gebruik gestelde molens verkocht en hergebruikt, maar die waren niet voorhanden.
Wel werden onder andere de bovenas en wateras van de voorganger hergebruikt. Op 2 juli 1903 maalt de nieuwe Ondermolen voor het eerst.
De molen had een zeer fors scheprad gekregen (6,90 meter).

In 1922 stapt de polder voor het gemaal over op een ruwoliemotor wat een betere waterafvoer bewerkstelligde, maar nog steeds niet efficiënt werkte.

De Ondermolen kreeg in 1934 als eerste het systeem Dekker op de roeden. Dit moest zorgen voor meer windvang.
Door bodemdaling van de grond en dus ook van het waterpeil kreeg het scheprad steeds minder tasting. In 1945 kreeg de molen daarom een centrifugaalpomp.

In 1951 stapte het polderbestuur over op een elektrisch gemaal en de molendriegang werd buiten bedrijf gesteld. Wat meespeelde was dat de molens tijdens de oorlog veelvuldig in bedrijf waren vanwege brandstofschaarste en daardoor groot onderhoud nodig hadden. Ook de geplaatste centrifugaalpomp in de Ondermolen werkte niet goed.
Het polderbestuur zag deze herstelkosten niet zitten.

Om de molens voor verwaarlozing en verdwijnen te behoeden kocht de Provincie Zuid-Holland de molens in 1958 aan en liet ze herstellen door molenmaker De Gelder. Dit was mede ingegeven door de wet Bescherming Waterstaatswerken in Oorlogstoestand (BWO) die uitging van het op windkracht kunnen bemalen van polders in het geval van eventuele toekomstige oorlogshandelingen.
De Gelder verving bijna alle staven en kammen van de draaiende onderdelen en verving het in 1935 aangebrachte Dekkersysteem voor fokken. Verder werd de rietbedekking aangepakt.
Hierna waren de molens weer geheel maalvaardig.

In de praktijk draaiden de molens de eerste twintig jaar weinig, maar vanaf de jaren ’80 ongeveer eens per maand.

In 2006 werd een andere pomp in de Ondermolen aangebracht
Vanaf 2012 volgen veel andere onderhoudswerkzaamheden. Naast nieuwe rietbedekking wordt de lekkende waterloop hersteld (“onderloopsheid”).

In de afgelopen tien jaar is de Provincie op het standpunt komen te staan dat het bezit van molens niet meer bij haar taken hoort en ging men op zoek naar een koper.
De Rijnlandse Molenstichting bleek de enige partij die aan alle voorwaarden kon voldoen en nam de molendriegang in december 2023 van de provincie over. Op 9 maart 2024 werden de molens symbolisch overgedragen aan de stichting.

In de loop van 2024 worden nog een aantal onderhoudswerkzaamheden aan de molen uitgevoerd.


 



 

 

 



 

Deze website maakt gebruik van cookies om u een optimale gebruikerservaring te bieden.

Meer info